top of page
Schulp

Schulp

‘Hey :)’.

 

‘Hey!’.

 

Ik ga naast haar zitten, voeten in het zand. Mijn schoenen heb ik vandaag maar thuisgelaten; dat beklemmende gevoel is nou niet iets waar ik vandaag op zit te wachten. De zon schijnt fel, maar het geruis van de golven en het zachte zomerbriesje zorgen ervoor dat het fris, maar aangenaam is. Ik voel mijn mondhoeken omhoog krullen, plof languit in het zand en sluit mijn ogen.

 

‘Waar denk jij dat deze vandaan komt?’.

 

Ik draai mijn hoofd naar links en zie hoe ze een kleine, gestreepte schelp langzaam door haar vingers laat glijden en de structuur van het dingetje aandachtig in zich opneemt. ‘Goede vraag’, zeg ik, terwijl ik rechterop ga zitten. Het is één van haar fascinerende gaven om me na te laten denken over dingen die helemaal niet zo vanzelfsprekend zijn als dat ze soms kunnen lijken. Waar komt een schelp eigenlijk vandaan? Hoe kan het eigenlijk dat er overal waar je in het zand kijkt, weer een nieuwe vorm of kleur lijkt te liggen? Hoe goed je ook je best doet, twee van precies dezelfde vinden lijkt bijna onmogelijk. Als je het zo bekijkt, lijken het net sneeuwvlokken.

 

Nog half in gedachten word ik me langzaam bewust van het zachte gegniffel naast me. Verward draai ik mijn gezicht opnieuw richting haar. ‘Wat?!’ We kijken elkaar nog geen halve seconde aan voor we in lachen uitbarsten, en niet zo’n beetje ook. Met tranen op onze wangen ploffen we naast elkaar neer in het zand en komen we langzaam weer op adem.

 

‘Waar dacht je aan?’

 

Soms vergeet ik hoe lang we al vrienden zijn. ‘Aan sneeuwvlokken’, zeg ik, terwijl mijn vingers zich aandachtig door het zand voortbewegen en de structuur van de ruwe, maar tegelijkertijd zachte zandkorrels bestuderen. Opnieuw gegrinnik aan mijn linkerkant. ‘Aan sneeuwvlokken?’. ‘Ja! Kijk’, zeg ik, mijn ogen de grond afspeurend. Ik vind een schelp die verrassend dicht in de buurt komt van die van haar. Ik pak hem op, loop een paar meter de zee in en spoel hem af in het zoute water. ‘Geef eens’, zeg ik, terwijl ik weer in haar richting loop. Met haar lange vingers reikt ze me hem aan. Ik leg ze naast elkaar in mijn hand. ‘De strepen zijn van dezelfde soort, maar ze lopen net anders. En deze vorm verschilt ook net een beetje van die, zie je dat?’ Ze pakt ze voorzichtig met beide handen uit mijn handpalm en houdt ze naast elkaar in de lucht, haar wenkbrauwen in een frons door het zonlicht dat haar in de ogen schijnt. ‘Als je erover nadenkt klopt het ook wel’, zegt ze. Ik kijk haar vragend aan. ‘Bij elke schelp hoort een wezen. En elk wezen is natuurlijk uniek en heeft zijn eigen omhulsel. Letterlijk’, zegt ze, terwijl ze haar eigen handen aandachtig bestudeert. Ik moet zachtjes lachen. Wat een wijsheden.

 

We staren een tijdje voor ons uit zonder iets te zeggen. Stiltes zijn altijd interessant. De één is kort, de ander lang, de één geladen, de ander nietszeggend. Dit was een lange stilte. Maar wel een fijne.

 

Ik voel hoe ze de zoute zeelucht naast me tot zich neemt en adem zelf ook even diep in, terwijl ik mijn ogen opnieuw sluit. We hadden het weer nodig. Het was weer een rare week.

 

‘Hoe was het gisteren?’

 

Ik zucht. ‘Zoals altijd’, zeg ik. ‘Koetjes en kalfjes, ditjes en datjes. Een soort toneelstukje, zoals we gewend zijn.’ ‘Soms is het best fijn om het over niks te hebben, toch?’, vraagt ze. ‘Soms wel, soms wel’, zeg ik. ‘Maar vaak ook niet.’ Het is grappig hoeveel verschil een persoon kan maken. Met de één kan je uren praten zonder dat het echt ergens over gaat, de ander zuigt je leeg binnen twee minuten, terwijl het gespreksonderwerp precies hetzelfde kan zijn. Mensen zijn intrigerende wezens.

 

Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe ze haar eigen gevonden schelp naast zich neerlegt en die van mij begint te bestuderen. ‘Fascinerend hè’, zegt ze. ‘Fascinerend hoe zo’n minuscuul iets een kwestie van leven of dood kan zijn in een andere wereld’. ‘Ja’, zeg ik, zonder haar aan te kijken. In de verte komt er een lichtgrijze wolk aan drijven. Het is gek om te bedenken dat zo’n klein dingetje heel waarschijnlijk ooit iemands bescherming is geweest tegen een groter gevaar.

 

Het aangename briesje heeft plaatsgemaakt voor een koudere wind. De wolk is nu volledig voor de zon getrokken en het begint heel zachtjes te regenen. We laten het over ons heen komen en blijven met onze rug in het zand liggen, onze ogen nog steeds gesloten. Onze opgedroogde tranen hebben plaatsgemaakt voor nieuwe druppels.

 

‘Ik mis je, man’.

 

‘Ik jou ook’.

 

De druppels vermenigvuldigen zich sneller en sneller, en mijn voeten beginnen steeds meer naar de omhulsels te verlangen die ze gewoon zijn. Een harde donderslag zorgt ervoor dat ik het tijd vind om te gaan. Ik sta op. Mijn lippen maken aanstalten om iets te zeggen, maar de drukkende leegte naast me is sterker. Ik voel het gebrek van de aanwezigheid die ik me enkele momenten daarvoor nog zo goed voor kon stellen. Ik kijk nog een keer naar links in de hoop haar blik te kunnen vangen, maar alles wat ik zie is de regen die haar afdrukken op de verder lege zandvlakte achterlaat. Leeg, maar wel bezaaid met alle harde, schalen geraamtes die hun voormalige eigenaren aan hebben laten spoelen. Mijn eigen huls voelt opeens een stuk kwetsbaarder aan dan die van hen. Mijn voeten zakken verder weg in het zand, en ik merk op dat de korrels niet langer fluweelzacht aanvoelen, maar alleen nog maar hard en ruw. Voordat ik wegloop, draai ik me nog één keer om.

 

‘Tot woensdag’, fluister ik.

bottom of page